Human Development (1956-2006)

indhDit jaar (2006) is het precies 50 jaar geleden dat Marokko onafhankelijk werd. Ter gelegenheid hiervan is een rapport verschenen over Human Development. Wij vroegen Mohamed Albarnossé om terug te blikken op de afgelopen 50 jaar. Hij was ingenieur en werkte in de jaren 70 en 80 voor verschillende organisaties belast met sociale en economische planning.

Hoe kijkt u terug op de afgelopen 50 jaar?
Een kritische evaluatie van de ontwikkelingen tussen 1956 en 2006 is nodig opdat de fouten uit het verleden niet worden herhaald. Over het algemeen kunnen we de afgelopen 50 jaar op twee verschillend niveau s evalueren. Aan de ene kant was de kwantiteit van de ontwikkeling over het hele land slecht verdeeld. Dit heeft geleid tot een scherp contrast tussen stad en platteland. 50 jaar gelden leefde 70% van de bevolking op het platteland. De rest in de steden. Vandaag leeft 50% van de bevolking in de stad.

De oorzaak hiervan is dat het platteland de eigen mensen niet kan voeden. De toename van de bevolking in de steden heeft nieuwe problemen met zich mee gebracht. Het drukt nog steeds zwaar op de infrastructuur zoals de voedselvoorziening, het drinkwater, de stroom, de behuizing, de scholing, het sanitair, de openbare orde, en vooral de arbeidsmarkt. Kortom de stad kan ook niet voor iedereen zorgen. Want er zijn sinds 1956 onvoldoende woningen, ziekenhuisbedden, scholen, universiteiten, hoge scholen en infrastructuur voor sport en recreatie bij gekomen. De gevolgen hiervan zijn o.a. nieuwe sloppenwijken waar misdaad, prostitutie en politiek en religieus extremisme naast elkaar floreren.

Natuurlijk zijn er dingen verbeterd. Maar het opgebouwde infrastructuur staat niet in verhouding met de reële behoeften van de bevolking. Een nader onderzoek naar de behoeften op het platteland en in de steden spreekt enige groei tegen! De problemen stapelen zich op en de infrastructuur is lang niet sterk genoeg om alle problemen op te lossen. Wij zijn er dus nog lang niet. Aan de andere kant is een evaluatie op het gebied van de kwaliteit van de ontwikkeling onmisbaar. De gevolgde strategie heeft niet goed gewerkt. De bedoeling was het land ontwikkelen. De Franse en Spaanse protectoraten hebben in Marokko eigen structuren opgebouwd. Toen ze vertrokken kwam een nieuwe Marokkaanse elite voor in de plaats. Het was een klasse die afhankelijk was van de oude machthebbers. Ze ging door met de exploitatie van het land zoals Fransen en Spanjaarden deden.

Dat heeft geleid tot de herleving van oude conflicten die soms ver terug gaan tot voor de periode van het protectoraat. Het gevolg was een reeks opstanden. Ze werden bloedig neergeslagen zoals in Rif in 1958 en in Tafilalt kort daarna. In 1973 vond er een opstand plaats onder leiding van Bouhsoussen. Op politiek gebied kwam het tot een splitsing binnen de toen grootste politieke partij Istiqlal omdat leden uit Souss botsten met die van Fes. Deze zijn later massaal naar de nieuw ontstaan linkse beweging USPF overlopen. In de Sahara deed zich hetzelfde probleem voor.

Door de interne migratie kwam de kleine bourgeoisie die rond de oude steden land bezat, in conflict met de nieuwkomers uit het platteland die niets hadden behalve hun loyaliteit aan de eigen stam en waaraan ze enige legitimiteit ontleenden. Sommige waren tijdens het protectoraat hun land kwijt geraakt. Tribalisme was overal in Noord Afrika springlevend. De stam, en niet de staat, was de hoogste vorm van sociale organisatie. Politieke conflicten lossen zich niet op in termen van sociale klassen. Daarom wilde de jonge staat er een einde aan maken door interne migratie van het platteland naar de steden te stimuleren.

Maar ook in de steden bleef tribalisme bepalend voor de ontwikkeling van de mentaliteit. Zelfs de staatsgrepen die waren gepleegd, waren tribaal gebonden. Men deed mee uit loyaliteit aan de eigen stam!  Dus als we over de kwaliteit van de ontwikkeling praten dan bedoelen we de herstructurering van het land op basis van sociale mobiliteit en verdeling van de welvaart. In 1956 waren de zaken vrij duidelijk. De Makhzen, het centrale gezag, had macht die ze uitoefent via de cadi’s en gouverneurs. Na het einde van het protectoraat kreeg de staat controle over vruchtbare landbouwgrond en bosgebied. Ook de distributie van belangrijke levensmiddelen zoals suiker, thee, graan, tabak, wijn en alcohol; is in handen van de staat gekomen. Dit geldt ook voor alle transportmiddelen over land, op zee en in de lucht.

De staat werd dus de grootste werkgever en de grootste grondbezitter. De infrastructuur die men in de afgelopen 50 jaar heeft opgezet was primair opgebouwd om in de behoeften van de nieuwe heersende klasse te voorzien. Een nieuwe probleem is hierdoor ontstaan. In het begin werden dankzij de scholing voldoende kaders voortgebracht om het land te besturen. Maar in de loop van de tijd kon het economische systeem het groeiende aantal afgestudeerden niet meer aan. De huidige demonstraties van afgestudeerde werkelozen voor het gebouw van het Parlement zijn in wezen het resultaat van een inadequaat economische en onderwijspolitiek uit die tijd. Het economische systeem heeft dus vanaf het begin gefaald. Dit werd nog verergerd door gebrek aan particulier initiatief en privé kapitaal. Als gevolg hiervan is er weinig sociale mobiliteit en is te veel werkeloosheid.

Ten slotte, toen de staat de macht van het protectoraat overnam heeft de nieuwe elite een fout gemaakt. De Berber stam werd bestempeld als de nieuwe vijand van de staat. Dit ging tegen de eeuwenoude tradities in. De confederatie van de Berber stammen was volgens Ibn Khaldoun (1332-1406) de kern waarop de staat in Marokko was gebaseerd. In zijn politieke verhandeling over het ontstaan, de bloei en het verval van de staat, constateerde hij dat telkens wanneer een groep te lang aan macht was en zijn grip op het land dreigde te verliezen er een nieuwe en machtige confederatie zich aandiende om de macht over te nemen. Dit proces herhaalde zich in de loop van de eeuwen om de continuïteit van de staat te garanderen. Ibn Khaldoun omschreef de “asabiya” (tribale solidariteit) als het cement waarop dit fenomeen was gebaseerd.  Dit systeem werkte tot in de 19de eeuw toen Frankrijk delen van Noord Afrika binnenviel. Het nam oude vestingen van de Ottomanen over zoals Constantine, Algiers en Oran.

Toen stammen in dat gebied in opstand kwamen hadden de Fransen een alibi om ook Marokko binnen te vallen. De opstandelingen hadden sterke banden met andere stammen in Marokko. Zo werd de bezetting via de oostelijke grens een feit. De pacificatie van Marokko was in feite een open oorlog tegen de Berber stammen die het gezag van de Fransen weigerden te erkennen.  Bij de onafhankelijkheid van het land moest er een nieuw super stam ontstaan wiens belangen overeen zouden komen met die van de nieuwe staat. Ook hier is de analyse van Ibn Khaldoun nog steeds relevant. Het verschil nu is dat de stad belangrijk is geworden als nieuwe weefsel van de super stam. Dit verklaart waarom mensen op het platteland aangemoedigd werden om naar de stad te vertrekken.

De stammen moesten uitgedund worden. Maar de ongeremde groei van de stadsbevolking zou voor enorme uitdagingen zorgen. Het heeft geresulteerd in wat men “acculturation” noemde, de ontworteling. Dit wordt verergerd door de import van allerlei politieke en religieuze ideologieën die mensen vatbaar maken voor manipulatie en misbruik. Gedurende dit proces bleef de Berber stam op het platteland over het algemeen kalm, uitzonderingen daargelaten . Maar de sloppenwijken rond de steden waar veel nieuwe mensen uit het platteland kwamen wonen, bleven een bron van sociale onrust. Werkeloosheid bedraagt nu 20%. Immigratie is voor velen de enige oplossing voor een beter leven. Zelfs illegale immigratie is in trek. We hebben via de media gezien hoe jonge mensen de straat van Gibraltar met gevaar voor eigen leven proberen over te steken. En de demonstraties van gediplomeerde werkelozen voor het parlement in Rabat vertellen boekdelen. Kortom, ik zie voorlopig geen reden om een feestje te vieren na 50 jaar onafhankelijkheid!

50 jaar is veel tijd om een land te ontwikkelen gezien de macht waarover een staat kan beschikken om mensen en middelen te mobiliseren. Maar de centralistische aanpak heeft zo te zien weinig rendement opgeleverd. Deze aanpak werd vanaf het begin bekritiseerd door specialisten zoals Jean Dresch (1). Hebben de tegenstanders van toen gelijk gekregen?
Ontwikkeling op regionaal niveau zoals Jean Dresch het zag is vandaag niet meer in de mode. Maar het heeft grote invloed gehad op het sociaal economische model dat later werd toegepast. In de tijd van Dresch, werd Marokko in twee delen verdeeld. Een denkbeeldige lijn liep tussen Oudja in het Noord Oosten tot aan de rivierbedding van Draa in het zuiden. Ten westen hiervan lag vruchtbaar grond, dus nuttig en maakbaar (Maroc utile). De rest werd genegeerd omdat het niet vruchtbaar was (Maroc inutile). Officieel wilden de Fransen tijdens het protectoraat het land naar een hoger beschavingspeil optillen.

Maar in werkelijkheid hadden ze geen belang bij het ontstaan van een nieuwe samenleving. Ze speelden juist in op de verschillen tussen stad en platteland, dat wil zeggen tussen Berbers en gearabiseerde Berbers in de steden. Ze wilden het liefst elke stam apart houden. Na de onafhankelijkheid wilde de nieuwe Marokkaanse staat de Berber stam ontmantelen. In de roes van de onafhankelijkheid moest iedereen opgaan in een nieuwe smeltkroes.  De pogingen om het land te moderniseren zijn op dit model gebaseerd. De regio’s waarin het meest werd geïnvesteerd lagen aan de Atlantische kust, vaak aan de monding van grote rivieren: Sebou, Oum Rebia, Tensift en Souss. De regio rond Sebou werd vanaf de jaren zestig met de steun van het FAO (Wereldvoedselprogramma) ontwikkeld. De regio rond Oum Rebia werd al tijdens de Franse bezetting ontwikkeld. Tensift en Souss kwamen er later bij. Ook kwam er een nieuwe regio bij rond de Oued Ziz in het Zuidoosten.

Dit is gebeurd in navolging van de Algerijnen die aan de andere kant van de grens de stuwdam Jorf Torba hebben gebouwd.  De geografie van het land was dus ook medebepalend voor de sociaal-economische ontwikkeling. In de nieuw ontwikkelde regio’s waren stedelijke centra ontstaan die er in principe voor moeten zorgen dat de bevolkingsgroepen in een nieuw Marokkaanse smeltkroes zouden opgaan. Dit moest gebeuren met behulp van de nieuwe infrastructuur waarbij alleen Arabisch wordt gepromoot. Het Berbers zou dan vanzelf moeten verdwijnen.

Tamazight is niet verdwenen. Er zijn vandaag organisaties die de regionale aanpak en de erkenning van de identiteit voorstaan. Hoe ziet u zelf deze ontwikkelingen?
Ik ben zelf Amazigh. Door middel van onderzoek ben ik veel te weten gekomen over mijn oorsprong. Ik weet ook dat veel Marokkanen zowel binnen als buiten Marokko dezelfde situatie beleven. Maar Amazigh  zijn betekent niet andere groepen uitsluiten. Het heeft ook niet veel met taal te maken maar met bewustzijn en loyaliteit. Je kunt Franstalig, Arabischtalig of Duitstalig zijn en toch Amazigh blijven.

Het Tamazight maakt van Marokko een uniek land. Je kunt het overal zien: in de toponymie (plaatsnamen), in de keuken, in de kleding, in de collectieve herinnering. Na de onafhankelijkheid heeft de centrale overheid er alles aan gedaan om de traditionele vormen van organisatie zoals Tajemaat (2) af te zwakken. Dat was het einde van de lokale democratie. Want die structuren zorgden voor overleg en consensus. Ze garandeerden bovendien openbare veiligheid en rechtspraak. Ze losten allerlei sociale conflicten doeltreffend op. Het huidige Marokkaanse justitieapparaat is er in de laatste decennia nooit in geslaagd om het werk van Tajemaat te evenaren. Zelfs de administratieve indeling van het land was na de onafhankelijkheid slecht voorbereid. Want Marokkanen waren altijd trouw geweest aan de regio of de stam waar ze vandaan kwamen. Het afsnijden van deze banden was niet verstandig geweest.

De Marokkaanse eigenheid moet dus beginnen bij het erkennen van deze collectieve identiteit. Marokko is sinds de onafhankelijkheid achteruitgegaan. De lokale bevolking moet over onderwijs, gezondheidszorg, justitie en veiligheid mee kunnen beslissen. Dat zal leiden tot meer democratie. Het centrale gezag wil nu het conflict in de Westelijke Sahara door middel van een autonomie binnen de landsgrenzen oplossen. Autonomie van de Sahara kan gevolgen hebben voor het hele land. Ook andere regio’s kunnen het heft in eigen hand nemen om hun problemen op te lossen.

Dit kan wel eens het einde betekenen aan 50 jaar centralisme. De opbouw van de natiestaat is een lang en moeizaam proces. Toen Ottomanen delen van het Midden Oosten en Noord Afrika controleerden hadden ze hun eigen taal (Oud Turks) officieel gebruikt. Marokko heeft in diezelfde tijd ervoor gekozen om Klassiek Arabisch als communicatietaal met andere moslim landen te gebruiken terwijl de eigen bevolking geen Arabisch sprak maar Berbers. Deze situatie is tot op vandaag gangbaar. Maar de wereld is al lang veranderd. Daarmee wil ik zeggen dat een taalkeuze in het verleden vaak door de macht van de staat wordt afgedwongen en niet door de burgers om wie het eigenlijk gaat.

Vandaag noemt Marokko zich Arabisch, niet omdat het Arabisch is maar omdat de staat die taal gekozen als communicatiemiddel.  Het land is in een overgangsfase. Frans was gedurende de 20ste eeuw de taal van de elite. Na de onafhankelijkheid werd het Frans officieel door Arabisch vervangen. Het Berbers werd buitengesloten. Maar zowel arabisering als verfransing heeft te weinig rendement opgeleverd. Het volk gebruikt Darija als een nieuwe langua franca. Deze taal zal straks in alle uithoeken worden gesproken waar vroeger alleen Berbers was. Dit betekent voor onze kinderen en kleine kinderen dat hun collectieve herinnering niet meer in het Berbers vorm krijgt zoals bij hun ouders en voorouders, maar in Darija. Dit is op zich al een historische breuk. Het Berbers zal verdwijnen als we niets doen. Vandaar het belang om deze taal officieel te erkennen. Want het is de oorsprong.

Was dat de reden dat u een boek over uw herinneringen aan Marokko hebt geschreven?
Ik heb zowel het Franse protectoraat als de onafhankelijkheid meegemaakt. Ik word nog steeds getroffen door het familieleven in onze gemeenschap. Tajemaat was verantwoordelijk voor rechtspraak en openbare orde. Bij conflicten greep de administratie van het protectoraat zelden in. De gemeenschap regelde alles zelf. Na de onafhankelijkheid leek het gevoel van rechtvaardigheid en openbare orde te zijn verdwenen. Ik heb enkele gevallen meegemaakt. Mijn schoonbroer en mijn zus zijn in 1959 als door een wonder aan de dood ontsnapt tijdens de aanvallen van het Marokkaanse leger in Rif.

Daarna is mijn schoonbroer een stuk landbouwgrond op oneigenlijke manier kwijt geraakt. Een andere keer is mijn oom slachtoffer geweest van fysieke agressie. In al deze gevallen is de Marokkaanse Justitie er nooit in geslaagd recht te doen geschieden.  Ik herinner me verder een aantal sociale praktijken en de taal van de Branes, de stam waar mij ouders en voorouders bij hoorden. Ik kon mijn grote moeder van vaderskant helaas niet verstaan. Ze sprak een ander dialect dat gewoonlijk in Gzenaya wordt gebruikt. Ook nu kunnen mijn eigen kinderen met hun grote ouders niet communiceren.

Daarom heb ik besloten om zelf een onderzoek te doen naar taal en geschiedenis. Ik kwam erachter dat mijn groot ouders tot de laatste generatie behoorden die nog Berbers sprak. Taal en collectieve herinnering zijn belangrijk in de ontwikkeling van onze persoonlijkheid. Een mens functioneert beter als hij weet wie hij is en waar hij vandaan komt. Helaas is hier niet veel in hedendaags Marokkaanse media over te vinden. De media is erop gericht Marokkanen te Arabiseren. Het effect van culturele importproducten uit het Midden Oosten op de jeugd is negatief. Hun marginale positie wordt nog verder uitgebuit door religieuze en nationalistische thema’s waar ze niets aan hebben. Dit leidt tot ontworteling die ik mijn kinderen wil besparen. Daarom heb ik dat boek geschreven.

U woont en werkt in Japan dat net als Marokko een niet-christelijke en niet-westers land is. Beide landen hebben veel invloeden uit het Westen ondergaan. Toch lijkt Japan er beter in te zijn geslaagd de westerse techniek te assimileren. Wat zijn volgens u de verschillen tussen beide landen? Speelt cultuur een rol in de Human Development?
Het verschil op dit moment is dat Japan een goed werkende markteconomie heeft waarbij goederen en producten gemakkelijk worden verdeeld dankzij een goede infrastructuur. De welvaart is hierdoor evenredig verdeeld. Er is praktisch geen verschil tussen stad en platteland. Dit maakt van Japan een grote stad. De landbouw is zo goed georganiseerd dat het land een goed verzorgde tuin lijkt. Dit wordt nog meer onderstreept door het respect voor de natuur dat van oudsher door de Japanse religies wordt aangemoedigd. Er zijn geen braak liggende stukken grond. Alles wordt benut en goed verzorgd.

Het verschil op het gebied van ruimtelijke ordening is voor menig bezoeker een waar culturele schok. Vijftig miljoenen mensen gaan elke dag van en naar hun werk. De stiptheid van de treinen waarmee al deze reizigers s ochtends en s avonds naar hun bestemming worden vervoerd is verbijsterend. Dit verklaart een belangrijk verschil met Marokko, namelijk het bewustzijn van de tijd die tot op de seconde wordt benut. Verder is de properheid van de steden, van de stations, van de straten en van de mensen noemenswaardig.

Deze sociale vooruitgang is dankzij een positieve mentaliteit, het hard werken en de discipline bereikt.  Voor de 19de eeuw bestond de Japanse samenleving uit sociale kasten die door een sterk centraal gezag, Shogun, werd geregeerd. Dit gezag regelde alle aspecten van het leven tot in de kleinste details zoals een simpele theeceremonie. Zelfs de woningen moesten een bepaalde standaardafmeting hebben. Het gezag zorgde ook voor een boeiend stadsleven door kranten en tijdschriften uit te geven. Toen de Meiji in 1868 aan de macht kwam was de samenleving voorbereid op de culturele schok van het moderne leven uit het Westen. Het was klaargestoomd om de nieuwste technieken op te nemen. De assimilatie van westerse kennis was snel en zonder grote bezwaren geweest.

Dit leidde tot de ontwikkeling van de lokale industrie die in de primaire behoeften van de Japanse markt kon voorzien.  De oude sociale kasten hebben dus een nieuwe elite voortgebracht van technocraten en industriëlen die het land verder moderniseerde. Dit werd mogelijk gemaakt dankzij een gedisciplineerde arbeidskracht die loyaliteit gewend was in de tijd van de samoerai. Het bedrijf werd het centrum van het sociale leven van de arbeiders.

Marokko was in de 19de eeuw volkomen anders. Ook Sultan Hassan de Eerste heeft studenten naar het buitenland gestuurd. Ze moesten de nieuwste technieken in Europese landen bestuderen en terug komen om het land te helpen moderniseren. Toen ze terugkeerden werden ze niet snel geaccepteerd. Ze werden door religieuze schriftgeleerden als afvalligen bestempeld. Deze hadden namelijk elke vorm van contact met het buitenland verboden. Ze ageerden tegen moderne ideeën en technieken.

Dat vonden ze strijdig met hun eigen wereldbeschouwing. Soms moesten de teruggekeerde studenten voor hun leven vrezen.  Daarnaast was het centrale gezag economisch gezien failliet. De wettelijke belastingen en de zakat (jaarlijks religieuze belasting) gingen niet naar de schatkist maar naar de machtige religieuze broederschappen die de dienst uitmaakten. Daar waar de Japanse keizer op grote bewondering en loyaliteit van de eigen onderdanen kon rekenen was de Marokkaanse Sultan in conflict met eigen onderdanen over belastinggeld.

Een ander belangrijk verschil is dat Marokko van de 19de eeuw geen noemenswaardig stadsleven kende. Aan het begin van de 20ste eeuw telde de grootste stad ongeveer 80.000 inwoners. Dat was gelijk aan één enkele wijk in een stad als Tokio uit dezelfde tijd. Japan was altijd verstedelijkt. Het had een opgeleide elite en een geschoolde bevolking gericht op de toekomst. Er ontstond een moderne identiteit dankzij de hervorming van taal en religie. De keizer zelf zorgde voor de invoering van een verenigde taal gebaseerd op een honderdtal dialecten. Hij zorgde verder voor een uniform alfabet (Kanji) waarmee Japanners hun taal konden schrijven. Als laatste zorgde hij voor een officiële religie in plaats van honderden versies van dezelfde leer die soms per dorp van elkaar verschilden.

Deze belangrijke hervormingen van taal en religie waren voor zijn tijdgenoot Hassan de Eerste ondenkbaar. Ook de pogingen van zijn voorganger Sultan Ben Abdellah waren zonder succes. De bevolking zag de Sultan in die tijd als het hoofd van een religieuze (Alawitische) broederschap die in concurrentie was met andere groepen. Hij had wel religieuze legitimiteit maar kon feitelijk niets veranderen. Daarnaast was (en is nog steeds) de officiële taal sterk afwijkend van de taal van het volk. Hierdoor was scholing en onderwijs erg beperkt. Deze kwestie is tot op vandaag nog niet opgelost. Kortom de nationale taal en religie werden in Japan goed gebruikt om een moderne identiteit te scheppen. In Marokko was dit niet mogelijk. Het land bleef voortsukkelen zoals in de eeuwen daarvoor zonder enige vernieuwing.

U bent nu (2006) bezig met een nieuw boek over religie. Door wereldwijd terreur en geweld is het imago van de islam in de laatste jaren ernstig beschadigd. De eerst Marokkaanse terreurgroepen zijn al ontstaan. Hoe is het zover gekomen en wat betekent het voor ons?
Ik ben in de jaren 50 en 60 opgegroeid. Islam was geen onderwerp van uiterlijke vertoning. Het enige verschil dat we kenden was dat tussen een moslim en een Jood. In die tijd woonden nog veel joden in Marokko. Dingen begonnen te veranderen toen culturele invloeden uit het Midden Oosten langzaam de huiskamers binnen kwamen. De politiek van arabisering en de media hebben een rol hierin gespeeld. Religiositeit werd nu gemeten met een type klederdracht, het taalgebruik en de lengte van de baard. Het gesprek van de dag werd langzaam bepaald door wat wel en wat niet mag. Men citeert overvloedig uit oude en nieuwe bronnen die wij niet kenden. Het was voor ons nieuw want het maakte duidelijk aanspraak op politieke macht.

De slechte sociale en economische situatie van een deel van vooral de stadsbevolking is een voedingsbodem gebleken voor religieus radicalisme. Mensen kunnen onder bepaalde omstandigheden gevoelig worden voor dit soort gepreek. Het geeft ze hun menselijke waardigheid terug die de staat ze niet kan garanderen. Sommige Marokkaanse religieuze broederschappen hebben dit soort gepreek ook overgenomen. Het gevolg hiervan is dat Marokkanen nu in twee kampen zijn verdeeld. Zij die maatschappelijke verandering nastreven door het gebruik van religie als politiek instrument en zijn die het niet doen. Hierdoor is religie een nieuwe bron van twist geworden.

Een andere verklaring van religieus radicalisme in de laatste decennia is dat Soennieten de radicaliteit van de Sjiieten hebben overgenomen. Het idee van een permanente revolutie binnen en buiten de islam om het kwade uit te banen, werd door de Islamitische Revolutie van Iran nieuw leven ingeblazen. Het gevaar hierin is het feit dat je alles en iedereen tot het kwade kan verklaren, al naar gelang de omstandigheden. De invloeden van deze sjiitisch militante theologie zijn in veel preken van de Soennieten terug te lezen. De opkomst van Internet en de satellietschotels hebben deze boodschap wereldkundig gemaakt. Het domineert de fora waar de jeugd voor vragen over de islam komt. Het gevolg is dat islam van zijn oorspronkelijke missie dreigt te worden ontdaan. De spirituele dimensie is op de achtergrond geraakt. Het is meer een politiek-ideologisch actieprogram geworden.

Daar komt nog een vreemd element bij. Sommige predikers volgen het voorbeeld van fundamentalisten uit het christendom en jodendom. In hun revolutionaire ijver proberen ze de superioriteit van de islam aan te tonen door een wetenschappelijk fundament te vinden voor de heilige teksten. Ze vergeten dat islam een openbaring is. Het ligt buiten ons rationele vermogen om die te verklaren. Wetenschap is echter een verzameling door de mensen getoetste theorieën.

Daarom kunnen religie en wetenschap nooit door dezelfde deur. Ze maken misbruik van wetenschap om de superioriteit van de Islam boven alle andere religies aan te tonen. Echter de Koran beschrijft monotheïstische religies niet als minderwaardig maar voortkomend uit dezelfde bron. De Koran beschrijft bovendien de gelovige gemeenschap als een “umma-tun wasat”, dat wil zeggen een pragmatische gemeenschap die de weg van het “midden” bewandelt. Maar daar hebben ze geen boodschap aan.

De strijd om de macht is dus nog open. Allerlei politiek-religieuze stromingen uit het Midden Oosten zijn bezig hun macht in Marokko uit te breiden. Dat doen ze ook via de migranten in het buitenland. Dat hebben we zelf toegelaten. Dit zal leiden tot een botsing met Marokkaanse politieke tradities. Toen Marokko islamitisch werd bleef het land in de loop van de eeuwen onafhankelijk van de rest van de moslim wereld. Het had een eigen staat. Religieuze loyaliteit ging naar de Sultan en niet buiten de grenzen. Het huidige Marokkaans politieke stelsel is nog steeds hierop gebaseerd. En dat botst met het principe van het herstel van een wereldwijd “Khilafat” zoals deze stromingen willen. (einde)

Biografie M. Albarnossé:
– Geboren in Taza in 1947.
– Diplomat Ecole Nationale du Genie Rural et des Eaux et Forets Paris (France).
– Diplomat DESS Management, Université des Arts et Techniques de Lille (France).
– 1970-1981: Ingenieur bij Staatsbosbeheer (Marokko).
– 1981-1984: Hoofd Stuurgroep lokale gemeenschappen, Ministerie van Binnenlandse Zaken (Marokko).
– 1984-1985: Staflid Staatssecretariaat, Ministerie van Binnenlandse Zaken (Marokko).
– 1986-1988: Staflid Ministerie van Planning.

Publicaties:
– L’arganeraie et ses problèmes. Rabat, 1975.
– L’autosuffisance alimentaire en l’an 2006 examinée à l’aide des fonctions de production des céréales principales. Rabat, 1986.
– Souvenirs d’enfance d’un enfant des Branes. Edité au Japon, 1998.
– L’Islam de la tribu des Branes (en cours de préparation).

1) Jean Dresch (1905-1994) was een Franse geograaf werkzaam geweest in Marokko tussen 1928 en 1970. Hij is de auteur van een paar honderd wetenschappelijke artikelen. Zijn leven en werk zijn uitvoerig besproken in een speciaal nummer van tijdschrift “Revue de l’Occident Musulman et de la Mediterranée” (1986). Een artikel over zijn werk is online te lezen. 



About

H. Amouch, webredacteur met passie voor reizen en sport. Ook jouw bijdrage op deze website? Laat het ons weten via admin (at) souss punt org.


'Human Development (1956-2006)' has no comments

Reageer op dit artikel

sommige auteursrechten voorbehouden (cc) souss.nl - souss.org 2005 - 2017