Mouloud Mammeri (1917-1989)

mouloud mammeri

Foto: Mahfoud Yanat (c)

De figuur van de moeder heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het leven van Mammeri. Ze is volgens hem niet alleen onlosmakelijk met de overdracht van de moedertaal, het belangrijkste onderwerp van bijna al zijn latere studies, maar ook veel van de orale kennis en wijsheden over de eigen identiteit, de eigen familie- en streekgeschiedenis. Hij noemt het graag de “volkscultuur”, de geleefde cultuur in Noord Afrika. Het is de cultuur van het thuis, de cultuur van “taddart”, van de familie, van het samen zijn, de moedercultuur waarin Mammeri opgroeide.

Maar in Rabat ontdekte Mammeri een andere nieuwe omgeving, volkomen anders. Weliswaar economisch beter maar de leegte, de eenzaamheid en het verloren contact met de natuurlijke omgeving speelde hem parten. “In onze dorp speelden kinderen samen op blote voeten in de sneeuw. Hier niet. (…) De leegte was enorm. Niemand of niets kon mij troosten”. Hij ging door met zijn studie. Op zijn 19de begon hij met het schrijven van zijn eerste roman “De Vergeten Heuvel” (La Colline Oubliée). Deze roman zou pas in 1952 verschijnen. Een prachtige beschrijving van het dagelijkse leven in een amazigh dorp tegen de achtergrond van het kolonialisme en het uitbreken van de Tweede Wereld Oorlog.

Op een dag hoorde hij op straat in Rabat iemand een verwante taal spreken. Een straatmuzikant speelde “amarg”, een muziekstijl uit Zuid-Marokko. Hij stopte voor de man om aandachtig te luisteren. “Dat was net wat ik nodig had. Het leek een soort speciaal muziek helemaal gemaakt voor mij. Het deed mij denken aan thuis, een opluchting in die tijd van eenzaamheid.” Hij raakte bevriend met de straatmuzikant die hem elke zaterdag al muziek spelend de stad liet zien.

In de ogen van Mammeri hebben de moderne culturen al te vaak de neiging om hun eigen waarden en normen aan anderen op te leggen. Vooral de orale culturen moeten het ontgelden. Maar deze stelling is maar gedeeltelijk waar. De moderne culturen leveren ook, zonder het te beseffen, nieuwe instrumenten aan de gedomineerden om het eigene te herontdekken. Het moderne onderwijs is een machtig instrument om de eigen cultuur opnieuw te ontdekken. Deze herontdekking van de eigen cultuur is net als in de spiegel kijken. Mammeri herontdekt zichzelf via de school. Over die periode zegt hij:

“Ik herinner me nog altijd de verbazing van onze Europese leraar Latijn toen ik mijn werkstuk over Jugurtha inleverde. Hij vroeg ons een vertaling te maken van vijftien regels uit het boek “De Bello Jugurthino” van schrijver Sallustre. Ik heb er vijftig regels van gemaakt. Dat deed ik anders nooit wanneer wij uit andere werken moesten vertalen. Ik leverde dan precies wat werd gevraagd. De leraar had er een tijd lang over gedaan voordat hij het door had. Op een dag verklaarde hij in de klas: “Ah, nu begrijp ik het. Voor Mammeri is Jugurtha één van zijn voorouders. Daarom schreef hij er extra lang over.”

Hoewel hij gelijk had verwachtte ik eerlijk gezegd zijn reactie niet. De leraar behoorde tot het koloniale systeem dat ons land bezat, onze cultuur ontkent en onze taal niet sprak. Eindelijk gaf hij zonder het te beseffen toe dat wij ook een eigen cultuur en een eigen geschiedenis hadden. Eindelijk konden wij ook een klassieke tekst die over onze eigen voorouders ging. Want de belevenissen van Jugurtha gingen ook over mij. Ik was het onderwerp geworden van de leerstof die ik voorgeschoteld kreeg. Ik was niet langer een object van studie door anderen in een duister spel buiten mijn eigen macht. Een door grote koloniale machten gedomineerd spel waar ik als kind machteloos naar keek.”

In zijn vrije tijd ontdekte Mammeri in het Marokko van de jaren 30 de Amazigh cultuur. Hij hield van het land en van de mensen. Hij reisde door de Atlas op zoek naar de authentieke cultuur van zijn voorouders. Hij verbaasde zich meermalen over complete gemeenschappen met specifieke eigenschappen die de tand des tijd hebben doorstaan. Dit in tegenstelling tot de veel andere gebieden in Noord Afrika waar men slechts een vage herinneringen had aan de eigen oorsprong. Hij zag zich vereerd de rol te spelen van “transmetteur de culture ancêstrale”. Hij kende zichzelf de missie toe om de laatste resten van een eeuwenoude cultuur die op sterven na de dood lag, te registreren. Hij zei over die periode:

“Het werd tijd om de laatste geluiden van weleer aan de dood te doen onttrekken. Ik besloot iets te doen. Zolang deze taal, ouder dan Syphax en Sophonisba samen, op de contreien van mijn voorouders wordt gesproken; voel ik me verplicht haar een plek te geven waar ze kan overleven, al was het maar een half leven ergens tussen mijn papieren, ergens op bladzijden van boeken die misschien straks niet vaak zullen worden gelezen.”

Uit die tijd dateert ook zijn verzamelde werk over de amazigh poëzie in zijn geboortestreek “Poèmes Kabyles anciens” (Oud kabylische gedichten): “Deze gedichten zijn voor mij niet zomaar anonieme documenten, waardeloze stukken. Nee, deze gedichten leven nog voort. Ze maken deel uit van de sociale werkelijkheid waaraan de groep die het maakt haar bestaansrecht ontleent. Maar ook mijn eigen bestaan. Deze gedichten vertolken het gemeenschappelijke lot dat de intensiteit en de kleur van ons bestaan en, straks dat van onze kinderen, geven.”

Mammeri, net als veel intellectuelen overal in Noord Afrika, vertolkte een specifieke behoefte die eigen was aan die tijd van het kolonialisme, namelijk de bevestiging van zichzelf tegenover de alom aanwezige buitenlandse dominantie. Mammeri zoekt naar zijn eigen wortels en schetst zijn zoektocht het liefst via de roman en de poëzie. Maar hij maakte ook veelvuldig gebruik van andere non-fictie vormen. Zijn roman “De Vergeten Heuvel” was in feite een poging om zijn eigen bestaan en dat van zijn land en zijn volk te doorgronden en aan de vergetelheid te onttrekken tegen de achtergrond van een alom dominante imperialistische cultuur.

In 1936 schreef hij een artikel getiteld “Amusnaw” (De geleerde) waarin hij de Amazigh gemeenschap van die tijd analyseert. Daarin kunnen we zijn bezorgdheid lezen over de toekomst van de eigen cultuur. Hij schreef hier regelmatig artikelen over. Hij verzocht de universiteit van Algiers om een leerstoel voor de Amazigh taal en cultuur te regelen. Helaas voor hem. Het werd prompt geweigerd. Zijn wens zou later na de onafhankelijkheid in 1962 wel uitkomen, maar niet voor lang. Hij werd korte tijd docent klassieke letteren in het Lyceum Ben Aknoun, in Kabylië.

De onafhankelijkheid van Algerije bracht niet echt de nodige bevrijding waar hij op had gehoopt. In tegendeel. Een cultuuromslag voltrok zich sindsdien ten koste van alles wat Mammeri zo dierbaar was. Hij was een van de weinige intellectuelen die de kwestie van taal en nationale identiteit aanroerde. Hij wenste een plek te geven aan Tamazight in het bevrijde vaderland. Uit de volgende passage blijkt zijn bezorgdheid – en die van andere Amazigh intellectuelen – over de toekomst van Tamazight: “Ik heb Amrouche enkele weken voor zijn dood ontmoet. Ik heb hem op een terras van een hotel in Rabat ontmoet. Wij bespraken de kansen van een reële vrede in Algerije. Ook bespraken wij de mogelijke koers die het land in de toekomst zou varen. Wij spraken elkaar in het Frans maar zonder het te weten gingen wij over in het Tamazight alsof het de taal was waarin wij in het geheim moesten praten om ons onverstaanbaar te maken voor anderen. Het was alsof we die behoefte stilzwijgend voelden zonder er verder over uit te weiden. Tamazight was de juiste taal om zulke dingen te zeggen.

Amrouche was ziek. Hij genoot van zijn verblijf in het land alsof het hem voor de laatste keer werd gegund. Hij was er alsof hij even nog het land van zijn voorouders wilde bezoeken voor hij stierf. Daardoor ben ik gewend geraakt aan zijn mentale houding net als je aan een bepaald ritueel gewend raakt. God is hem gunstig geweest, dacht ik toen. Het is alsof hem een laatst bezoek aan dit land wordt gegund, waarschijnlijk het meest belangrijke verblijf van zijn leven. Op 10 april 1960 schreef hij aan een Europeaan in Algiers: “Wij willen een vredige en moderne Algerije bouwen, en Algerije voor Algerijnen, een Algerije dat geen Frans, Arabisch of Berbers moet zijn, maar gewoon Algerijns. Niemand mag er vernederd of onderdrukt worden”.

Amrouche had een humanistische visie op de toekomst. Wat een verschrikking zou het voor hem zijn geweest als hij nog langer leefde! Gelukkig voor hem heeft hij slechts enkele weken van onze onafhankelijkheid meegemaakt. Want daarna werd ons leven een geheel ander verhaal, dat wil zeggen een leven vol onrechtvaardigheid en absurditeiten. Jugurtha is opnieuw uit zijn eigen land verbanen. Opnieuw is hij een vreemdeling in eigen land geworden, zoals Fadma Ait Mansour het zei in haar gedicht: “d aghrib di tmurt-is” [vreemdeling in eigen huis]. Aan de eeuwige verbanning van Jugurtha kwam niet echt een einde, ook niet toen het land werd bevrijd. Er is wel een territorium bevrijd, maar de mensen zijn geestelijk niet bevrijd.

De meest spraakmakende roman van Mammeri, “L’opium et le batôn”; werd in Marokko geschreven. Na deze roman onderbrak hij tijdelijk zijn schrijverschap om door Europa te reizen. Daar maakte hij kennis met verschillende landen en culturen die onderling in een wereldoorlog zijn verwikkeld. Hij keerde snel terug. Enkele jaren later brak ook de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). Hij vestigde zich opnieuw in Marokko.

Mammeri was een volksgeleerde wiens naam altijd verbonden zal blijven met de amazigh taal en cultuur in Noord Afrika. Hij was een onvermoeibare schrijver, reiziger en onderzoeker. Hij was een buitengewoon nieuwsgierige geest die open stond voor andere talen en culturen zonder de eigen identiteit te verwaarlozen of te ontkennen. Hij verdedigde de cultuur van zijn volk in extreme tijden van arrogantie en kolonialisme zonder te vervallen in eenzijdigheid of uitsluiting van anderen. Ook na de onafhankelijkheid bleef hij een uitgesproken pleitbezorger van de amazigh cultuur, het meest specifieke en eeuwenoude karakter van Noord Afrika.

Hij hield ook veel van Marokko, het land dat hem voor een belangrijk deel in zijn leven heeft opgevangen en gevormd. Het toeval wilde dat hij zijn laatste lezing in 1989 ook in Marokko hield. Mammeri had een realistische kijk op de toekomst van de amazigh cultuur in Noord Afrika. De snelle achteruitgang van de amazigh taal en cultuur in Noord Afrika sinds de onafhankelijkheid geven hem gelijk. Zijn lezing in Oujda ging juist daarom over de toekomst van deze specifieke cultuur. Hij bezweek onderweg naar zijn huis ten gevolge van een verkeersongeluk. Bij de begrafenis in zijn geboortedorp hebben niet minder dan een miljoen mensen zijn stoet begeleid naar zijn laatste rustplaats.

Publicaties Mouloud Mammeri:

1. ARTIKELEN:

– La société berbère, Rabat, 1938-1939, Aguedal, N°05 et 06, 1938 et N°01, 1939.
– Evolution de la poésie kabyle, Alger, 1950, Revue africaine N°422-423, PP. 125-148.
– Si Ibn-Kheldoun revenait parmis nous, Alger, 1963, Révolution Africaine N°14 du 04 mai 1963.
– Un poète algérien Si Mohand ou Mhand, Le Caire, 1968, œuvres afro-asiatiques, V.1, N°01, mars 1968.
– Littérature orale: l’Ahellil, Alger, 1973, LIBYCA, T.XXI.
– Culture savante et culture vécue en Algérie, Alger, 1975, LIBYCA, T.XXIII, PP. 211-219.
– La littérature berbère orale, Paris, 1977, Les Temps Modernes, N°375bis du 6 octobre 1977, PP.407-718.
– Problèmes de prosodie berbère, Alger, 1978, SNED,
Actes du II° congrès international d’étude des cultures de la méditerranée occidentale, T.2.
– L’Ahellil du Gourara, Alger, 1982, OPU, Actes de la tables ronde, C.R.A.P.E.
– Le Berbère à l’université, rien de nouveau (avec S. CHAKER), Tizi-Ouzou, 1983, Tafsut, Etudes et débats N°01.
– Après trois ans, Tizi-ouzou, 1983, Tasfut, études et débats N°01.
– Culture du peuple ou culture pour le peuple, Paris, 1985, Awal, N°01, PP.30-57.
– L’expérience vécue et l’expérience littéraire en Algérie, Montréal, 1985, Revue Dérives, PP. 7-24.
– L’imaginaire éclaté de Jean AMROUCHE, Marseille, 1985, Edition du Quai de Marseille, Actes du colloque Jean AMROUCHE, l’éternel JUGURTA, rencontres méditerranéennes de Provence, 17-19 octobre 1985.
– Les mots, les sens et les rêves ou les avatars de tamurt, Paris, 1986, Awal N°02.
– Aventures et avatars de la modernité en pays de tiers-monde, Paris, 1986, table ronde sur modernité et traditions dans les sociétés berbères, CERAM.
– Une expérience de recherche anthropologique en Algérie, Paris, 1989, Awal.
– Faut-il écrire spécifique, Oujda, 1989, conférence donnée à Oujda, université Mohammed I°, février 1989.
– Y a-t-il des caractères spécifiques de l’oralité ? Conférence préparée pour le colloque international sur l’oralité africaine, C.N.E.H., 12-15
mars 1989, in M. MAMMERI, culture savante, culture vécue, publication de l’association TALA, Alger, 1991.

2. TAAL:
– Tajerrumt n tamzigt (tantala taqbaylit), Paris, Maspéro, 1976.
– Précis de grammaire berbère, Paris, Awal, 1988.
– Lexique français – Touareg, en collaboration avec J. M. CORTADE, Paris, Arts et Métiers graphiques, 1967.
– Amawal Tamazigt-français et Français-Tamazigt, Imedyazen, Paris, 1980.
– Awal, Cahiers d’études berbères, sous la direction de M. MAMMERI, 1985-1989, Paris, Awal.

3. CULTUUR:
– Ameur des Arcades et l’Ordre, Paris, 1953, PLON, “La Table Ronde”, N°72.
– Le Zèbre, Preuves, Paris, N°76, Juin 1957, PP. 33-67.
– La Meute, Europe, Paris, N°567-568, Juillet-Août 1976.
– L’Hibiscus, Montréal, 1985, Dérives N°49, PP. 67-80.
– Le Désert Atavique, Paris, 1981, quotidien LE MONDE du 16 août 1981.
– Ténéré Atavique, Paris, 1983, Revue Autrement N°05.
– Escales, Alger, 1985, Révolution africaine. THEATER:
– Le Fœhn ou la preuve par neuf, Paris, PubliSud, 1982, 2° éditions, Paris, pièce jouée à Alger en 1967.
– Le banquet, précédé d’un dossier, la mort absurde des aztèques, Paris, Librairie académique PERRIN, 1973
– La cité du soleil, sottie en trois tableaux, Alger, 1987, Laphomic, M. MAMMERI: Entretien avec T. DJAOUT, PP. 62-94.

4. LITERATUUR:
– Les isefra de Si Mohand ou Mhand, texte berbère et traduction, Paris, Maspéro, 1969.
– Poèmes kabyles anciens, textes berbères et français, Paris, Maspéro, 1980.
– L’Ahellil du Gourara, Paris, M.S.H., 1984.
– Yenna-yas Ccix Muhend, Alger, Laphomic, 1989.
– Machaho, Contes Berbères de Kabylie, Paris, Bordas.
– Tellem chaho, Contes Berbères de Kabylie, Paris, Bordas, 1980. ROMANS:
– “La Colline Oubliée”, Paris, PLON, 1952, 2° édition, Paris, Union Générale d’Editions – SNED, col. 10/18, 1978.
– “Le Sommeil du Juste”, Paris, PLON, 1952, 2° édition, Paris, Union Générale d’Editions -SNED, col. 10/18, 1978.
– “L’Opium et le Bâton”, Paris, PLON, 1965, 2° édition, Paris, Union Générale d’Editions -SNED, col. 10/18, 1978.
– “La Traversée”, Paris, PLON, 1982, 2° édition, Alger, BOUCHENE, 1992.

(Bron: Tijdschrift “Itiniraire et Contacts de Cultures”. Volume 15 / 16. 1 & 2. Semestre 1992. Littérature et oralité au Maghreb. Hommage à Mouloud Mammeri. Harmattan, Université d’Alger – Université Paris Nord.)



About

H. Amouch, webredacteur met passie voor reizen en sport. Ook jouw bijdrage op deze website? Laat het ons weten via admin (at) souss punt org.


'Mouloud Mammeri (1917-1989)' has no comments

Reageer op dit artikel

sommige auteursrechten voorbehouden (cc) souss.nl - souss.org 2005 - 2018